1951 Folkloredag

“Houdt Zondag 29 juli 1951 allen vrij voor de grote Folkloristische Demonstratie van Boerendansers, Schutterijen en Vendelzwaaiers” stond er op grote affiches en in de kranten van 1951. Daarna worden alle deelnemende groepen genoemd en het artikel wordt afgesloten met de zin: “Na afloop is er gelegenheid tot dansen in een danssalon met muziek van ‘The Moodchers’. De Folkloredag 1951 van nationale dansgroepen, schutterijen en vendelzwaaiers kan worden beschouwd als het eerste festival dat door de Achterhookse Folkloredansers werd georganiseerd.

Toespraak door voorzitter Jan Olyslag

Toespraak door voorzitter Jan Olyslag

In de weide achter Café Kerkemeijer in de Dijkhoek kwamen 500 boerendansers, schutters en vendelzwaaiers bijeen om te laten zien hoe onze voorouders zich op hun feesten vermaakten. Het programma begon met de wedstrijd tussen de klootschieters uit de Bergstraat in Neede tegen de Dijkhoek, die naar oud gebruik hun tegenstanders hadden uitgenodigd met het overhandigen van een versierd “kleutjen”. Aan het eind van de wedstrijd was de Bergstraat “’n schötte en ’n bollen veur”. Onder luide vreugdekreten sloeg men de versierde kloot over de schouders en onder het zingen van het schone lied “wat ’n spiet, d’n Diekhook is zien kleutjen kwiet” trokken de 500 deelnemers in optocht naar de feestweide.

Het festival werd geopend door de burgemeester van Borculo, mr.J.P.Drost. De groepen defileerden voor het erecomité. Daarna begon men te schieten, te dansen en vaandelzwaaien.

 

Burgemeester Drost opent het festival met een toespraak tot alle deelnemers en het publiek.

Burgemeester Drost opent het festival met een toespraak tot alle deelnemers en het publiek.

 

De krant uit 1951 berichtte:

De eerste schoten werden gelost door leden van het erecomité. Maar hoe secuur zij het geweer ook op het laddertje legden, het hele comité kreeg niet meer dan één papieren vlaggetje naar beneden.

Dan deden de leden van de schutterij het beter. De bielemannen legden hun bijl wege en streken hun snorren op. De kapitein van de Needse schutterij stak zijn ietwat geroeste sabel in de schede en al gauw lagen de linkervleugel en de kop eraf. Nu diende eerlijkheidshalve te worden vermeld dat men de vogel blijkbaar niet erg lang had gekookt, zodat hij niet erg taai was. Bovendien waren de kogels ‘vinnig straf’ geladen, zoals vakmensen beweerden. Het koningsschot liet daarom niet lang op zich wachten.  Ondertussen greep spölleman Stoelhorst de toetsen van zijn harmonica en daarop zwierden in rustige cadans kleurige banen vlaggendoek rond de lichamen van stoere knapen, vendeliers uit Mariënvelde. Het erecomité ging erbij staan zoals het hoort, want dit vendelzwaaien was niet alleen een fraaie demonstratie, maar ook als eerbetoon bedoeld. En na die vlaggen ontplooide zich dan in bonte opeenvolging het programma van oude dansen, van schutterseer en vendelkunst. Iedere vereniging had zijn eigen spölleman, maar er waren ook twee boerenkapellen, de Schaddenstekkers uit Ruurlo en de Knollentrekkers uit Borculo. Dat het publiek, waaronder veel vreemdelingen als pensiongasten, logé’s en dergelijke het optreden bijzonder waardeerde, bleek uit de aandacht en het langdurige applaus, dat elke dansgroep beloonde. Tot slot traden de Reurlsche Boerendansers op en wat een prachtige types waren er onder. Hun optreden was een waardig sluitstuk van dit festival”.